Het vliegend tapijt

 

Ik herinner me niet precies meer wie het idee had opgevat een feestje voor oude schoolmakkers te organiseren. Maar op die dag waren we samen gekomen in een groot huis voorzien van een wijde tuin, niet ver buiten de stad. Het was een heerlijke avond, dat weet ik nog goed. De zon scheen helder en de lucht was mooi blauw, hier en daar doorstreept met wat dunne wolken. Overal voelde je de heerlijke warmte van de nazomer.

 

Omdat de meeste gasten nog moesten toekomen, besloot ik wat in de tuin te wandelen. De bomen wiegden zachtjes in de wind en het geurde er heerlijk. Hier en daar was een krekel te horen en de vogels waren begonnen aan hun avondzang. Maar een beetje dieper in de tuin, opzij van het grasveld, trok iets vreemds mijn aandacht. Ik zag daar een klein jongetje op een tapijtje zitten. Nou, wat doet die daar? Hij zat daar rustig in zijn eentje. En mijn verbazing werd nog groter toen bleek dat hij met dat tapijtje een eindje boven de grond zweefde. Je kon dat zien aan de zacht deinende bewegingen die het maakte. Dit was toch wel het laatste wat je zou verwachten in een westerse tuin, zo dicht bij de stad. Je zou hier eerder een egel of een knokige vleermuis tegenkomen, maar dit?

 

Ik besloot wat naderbij te gaan kijken. Ik verwachtte wel dat het mannetje met doekje en al, opeens ‘ping’ in het niets zou oplossen. Maar dat deed het niet. Het ventje bleef rustig zitten. Wachtte hij op iets? Bij hem toegekomen keerde hij zich naar me toe . Hij had een blij gezichtje en het trof me op dat moment dat ik het herkende maar ik kon niet plaatsen van waar of wanneer. Hij zag mijn verwondering, knikte vriendelijk gedag en wachtte af wat ik zou doen of zeggen. Het werd duidelijk dat ik aan zet was. Voor de grap vroeg ik hem of ik ook even op zijn tapijtje mocht zitten. Hij had alle redenen om dat te weigeren. Immers, het tapijtje leek eerder op een karpetje. Comfortabel kon dat nooit zijn. Maar het mocht. Oh, echt? En terwijl hij mij goed in de gaten hield, rolde hij van zijn zitje af en stond in geen tijd naast mij. Hij wees met zijn hand van ‘doe maar’. Goed, ik probeer. Na wat onzeker gestuntel op één been, zette ik mijn rechtervoet in het midden van het matje. Het voelde net als drijfzand. Het was dus duidelijk dat het wel degelijk op lucht dreef. Ik aarzelde dan ook mijn volle gewicht op het karpetje te zetten. Stel je voor dat je met een schuiver onderuit zou gaan. Dan stond je daar voor joker natuurlijk. Maar nu ik aanstalten had gemaakt om het te proberen, wou ik toch doorzetten. Ik trok snel mijn linker bij. Met wiebelende bewegingen stond ik daar als iemand die zich op een voorthollende olifant probeerde staande te houden. Het kereltje schaterde van het lachen. Het moet een aandoenlijk zicht zijn geweest. Toen hij wat uitgelachen was maande hij me aan te gaan zitten. Hij wees me op een plat kussentje dat ik hiervoor kon gebruiken. Ik had dat ding niet eerder zien liggen, maar was blij het te mogen gebruiken. Ik ging zitten. Ja, dit was toch wel raar. Nu was er plots plaats genoeg. Het leek wel of het karpetje opeens een volwassen tapijt geworden was. Ik kon me zelfs permitteren mijn benen naar voren uit te strekken zonder met de hielen over de rand te komen. Dat zat lekker zeg. Ik gleed met mijn handen over de golvende mat. Dat voelde plezierig. En nog iets, ondanks mijn gewicht kwam mijn zitvlak niet tegen de grond. Hoe doen ze dat! Ik kon niet begrijpen hoe het werkte.

 

Toen keek ik het jongetje aan. Met een kalme tevredenheid boog hij zich naar me toe en fluisterde, ja ga maar. En voordat ik kon vragen wat hij hiermee bedoelde, begon het tapijt te glijden. Eerst langzaam en dan zachtjes sneller, zo geruisloos en soepel. Het leek eerder of de tuin wegdraaide in plaats dat de mat vooruit gleed. Het versnelde al gauw en niet veel verder zweefde ik al meer dan een meter boven de grond. Vlug keek ik achterom en zag het ventje staan met de handen in de zij. Snel keek ik weer naar voren omdat ik vreesde ergens tegenop te vliegen. Nu besefte ik pas dat ik een beetje te roekeloos besloten had om een tochtje te wagen. Ik had ten slotte geen vliegbrevet. Steeds hoger ging het en nog altijd even soepel. Ik kreeg nu het vreemde gevoel niet alleen te zijn. Achter mij werd ik een aanwezigheid gewaar die blijkbaar met ervaren hand de vlucht in goede banen leidde. Ik waagde het niet meer achterom te kijken omdat het al te snel ging. Maar een innerlijke zekerheid stelde me gerust en daar was ik meer dan blij mee.

 

Ik was al ver de tuin in en al flink op hoogte. Ik begon er echt zin in te krijgen, dat voelde ik wel. Kon het nog hoger, zodat ik over de huizen en de bomen heen zou kunnen vliegen? Die gedachte werkte niet, zo bleek, waardoor ik vermoedde dat ik niet te kiezen had. De aanwezigheid achter mij had blijkbaar andere plannen die bepaalden waar de reis naar toe ging. Ik hield me dan maar stevig aan de randen vast en wachtte af. In een wijde boog vloog ik over een paar hoge muren. Daarachter kwam ik plots in het zachte licht van de avondzon terecht. Het spoelde over mijn gezicht als een heerlijke balsem. De diepblauwe lucht boog wijds over me heen. Ik voelde de oneindigheid. De hemel omsloot mij als werd ik er deel van. Dit was pas verkwikkend, zoiets had ik nog nooit beleefd. Ik ging achterover liggen in volle overgave, steeds hoger en hoger vliegend. Ik scheerde nu in grote cirkels, hoog boven de toppen van de bomen en de huizen. Nu kon dat blijkbaar wel.

 

Wat was het zalig zweven zonder er zelf iets voor te hoeven doen. Ik keek naar het uitzicht en genoot. De zon scheen koperkleurig over mij heen. Die zou weldra ondergaan. Ik vermoedde dan ook dat het ritje snel ten einde zou zijn. Na een paar lange bochten en evenveel rechte banen zag ik beneden de tuin waar ik daarnet vertrokken was. In grote bogen cirkelde ik rondom het huis. Steeds lager ging het en het verbaasde me dat het tapijt met een ongelofelijke precisie tussen de bomen werd geloodst. Ik keek al uit naar het jongetje om naar hem te wuiven. Maar ik zag hem niet. Vreemd, waar was hij gebleven? Niet lang daarna gleed het tapijt laag over het gras en vertraagde. Toch jammer dat de trip zo snel afgelopen was. Ik had best nog wat rondjes willen vliegen. Maar ik begreep wel dat daar niet veel aan te veranderen was. Het tapijt hield halt, ik stapte af en ging iets verder op het gras zitten, mijmerend over wat ik beleefd had.

 

Oh ja! Dat ventje. Waar was hij nu? Ik keek rond, maar vond hem niet. Hé, ben je daar nog? Speel je verstoppertje, of wat? Maar er kwam geen antwoord. Ik keek naar de mat maar ook die was weg! Hé, vreemd! Ik keek naar de lucht of hij daar met het tapijt zou rondtoeren, maar nee. Ik veerde recht, klopte het gras van mijn broek, en liep de tuin rond. In elk hoekje en achter iedere boom keek ik of er iets van die twee te vinden was. Niets! Hoe konden ze zo plots verdwenen zijn. Ik keek weer naar de lucht en zag dat de zon al onder gegaan was. Heel hoog vloog er een witte vogel, zwevend op de laatste zonnestralen. Het leek net even of hij me riep. Maar dat kon natuurlijk niet. Het was mijn verbeelding maar.

 

Ik hoorde pratende en lachende stemmen. Het kwam vanuit het huis waar het licht al ontstoken was. Een beetje ontgoocheld liep ik in de richting van de open staande deur. De avond begon al koel aan te voelen en ik begreep dat het tijd was om me binnen te laten zien. Zouden ze me al gemist hebben? In de woonkamer zag ik de genodigden druk met elkaar praten. Even kijken wie er allemaal is. En voor ik mezelf op de één of andere manier kon voorstellen, keerden er zich enkele naar me toe. Ah! Wie we daar hebben! Hoe is het met jou? Wat ben je veranderd, zeg! We vermoedden dat je niet zou gekomen zijn! Kom, drink een glas met ons. Sommigen kiezen blijkbaar de achterdeur om binnen te komen, werd er gelachen. Beduusd nam ik het glas aan dat mij werd toegestopt en we klonken op de gezondheid van iedereen.

 

Nog in gedachten bij het zweeftochtje dwaalde mijn blik af en keek op de rug van een grote, blonde kerel. Ken ik die? Ik liep naar hem toe zonder me nog te bekommeren om de anderen. Bij hem gekomen draaide hij zich om en glimlachte. Toen zag ik het. Hij was het jonge ventje dat mij zijn tapijtje had geleend! Ik herkende hem meteen. Hij had dezelfde lach, dezelfde ogen. Pas nu herinnerde ik mij dat hij mijn beste kameraad was van toen we in de eerste klas zaten. Hoe kon ik dat vergeten zijn? Ja, hij was het! Hoe kon hij daarstraks… en zo vlug… Ik begreep er niets van. Ik begon te lachen en gaf hem een knuffel. Hij was het waar ik me altijd zo goed bij gevoeld had. Hij, toen mijn beste vriend, stond hier vlak voor mij, als een grote vent. Lange tijd waren we elkaar uit het oog verloren. Hij was verhuisd naar een andere stad sinds dat ene jaar, zo verduidelijkte hij. En nu terug… wat een treffen! Verbaasd luisterde hij naar mijn verhaal over het kleine kereltje met zijn tapijtje. Ik vertelde honderd uit over mijn zweeftocht en hoe ik er zo van genoten had. Geboeid luisterde hij en zei ten slotte: Maar mijn beste kerel, niet te geloven! Dit wat jij nu vertelt heb ik vorige nacht gedroomd!

‚Äč

 

<<<

© 2017 - 2019 by Rudic Leysen. Proudly created with Wix.com

  • Twitter Metallic
  • s-facebook